
03 april 2025 | 2 min. leestijd
Het effect van de swapspread op mismatchrendementen
Wat is de impact van de gedaalde euro swapspread op het mismatchrendement in de solidaire pensioenregeling (SPR) op basis van de indirecte methode?
04 november 2024 | 5 min. leestijd
Als gast van a.s.r. vermogensbeheer heeft Rogier Potter van Loon een 4-delige artikelenreeks geschreven over de Wet toekomst pensioenen en het risicopreferentieonderzoek. Dit is deel 2.
Volgens de Wet toekomst pensioenen (Wtp) moet uw beleggingsbeleid aansluiten bij de risicohouding van uw deelnemers. In het nieuwe stelsel betekent dit dat u elke vijf jaar informatie over hun risicohouding moet ophalen. En daar hoort een kwantitatief onderzoek bij, zo is af te leiden uit de leidraad van de AFM. Met alleen open vragen bent u er niet.
Ook nu al, in het huidige stelsel, doen uitvoerders onderzoek naar de risicovoorkeuren van hun deelnemers – vooral onder deelnemers aan een premieregeling. Maar dat zal in het nieuwe stelsel veel structureler en op grotere schaal moeten gebeuren. De AFM publiceerde vorig jaar een leidraad over het risicopreferentieonderzoek, waarin staat dat de risicohouding van deelnemers bestaat uit het risico dat zij kúnnen nemen (risicodraagvlak) en het risico dat zij wíllen nemen (risicotolerantie). Van beide aspecten is per deelnemer een kwantitatieve inschatting nodig met een sterke onderbouwing.
En dat levert iets vreemds op. Deelnemers met een relatief hoog pensioen zijn daar zeer afhankelijk van en kunnen er dus minder risico mee nemen. Deelnemers met voornamelijk AOW en een klein aanvullend pensioen, kunnen doorgaans méér risico nemen. In de praktijk echter worden risicodraagvlak (kunnen) en risicotolerantie (willen) vaak op één hoop gegooid. Voor deelnemers met een klein pensioen komt een daling harder aan: de laagste inkomens willen daardoor doorgaans minder risico met hun totale pensioen nemen. Maar omdat zij een relatief klein aanvullend pensioen hebben, heeft een daling daarvan – hoe vervelend ook – weinig effect op hun totale pensioen. Ze kunnen vaak dus best meer risico nemen.
Gaat het over risicodraagvlak, dan is er een duidelijk relatie met leeftijd. Op jongere leeftijd bestaat het pensioen vooral uit toekomstige opbouw. Het bij u opgebouwde pensioen zal zeer klein zijn. Bij oudere deelnemers stijgt het bij u opgebouwde pensioen en daalt de toekomstige opbouw. De relatie tussen leeftijd en afhankelijkheid is de belangrijkste reden dat in een optimale lifecycle het risico daalt wanneer een deelnemer ouder wordt.
Voor het vaststellen van de risicohouding volgens de criteria van de AFM is dus een brede blik nodig. In het onderzoek neemt u zowel de risicotolerantie als het risicodraagvlak mee. Ondanks de complexiteit is er veel duidelijkheid dankzij de publicaties van de AFM. Meerdere partijen bieden bijvoorbeeld al onderzoekstools aan. Over de volgende fase is momenteel minder duidelijkheid: hoe u van het onderzoek tot het vaststellen van de risicohouding komt. In het komende artikel gaan we daar verder op in.
De Wtp legt vier fases vast die leiden van onderzoek naar passend beleggingsbeleid. In een serie artikelen lopen we met u door de 4 fases. In het vorige artikel las u over de 4 fases en hoe die op elkaar aansluiten. Dit is het tweede artikel in de reeks. In het volgend artikel vertellen we u hoe u van een onderzoek naar risicopreferentie tot het vaststellen van de risicohouding komt.
03 april 2025 | 2 min. leestijd
Wat is de impact van de gedaalde euro swapspread op het mismatchrendement in de solidaire pensioenregeling (SPR) op basis van de indirecte methode?
20 februari 2025 | 1 min. leestijd
De solidaire premieregeling onder de Wtp heeft een expliciete scheiding van het beschermingsrendement en het overrendement. Welke berekeningsmethodes zijn er en wat is er te zeggen over mismatchrendement?
10 februari 2025 | 1 min. leestijd
‘De solidariteitsreserve mag niet worden gebruikt voor deling van operationele kosten’, zegt de nieuwe Pensioenwet. Dat lijkt relatief bescheiden impact te hebben op pensioenfondsen, maar niets is minder waar.