Kansen en keuzes

De Wet toekomst pensioenen: Kansen en keuzes

De Wet toekomst pensioenen (Wtp) heeft grote gevolgen voor pensioenfondsen. Er leven dan ook veel vragen bij pensioenfondsen als het gaat om de transitie en de uitvoering van de wet. Enkele veelgehoorde, zogenoemde ‘knagende vragen’ zijn:

  • De overgang naar een nieuw pensioensysteem leidt logischerwijs tot een herijking van de uitvoeringsvorm. Het inregelen van een nieuwe pensioenregeling is arbeidsintensief en kan gepaard gaan met aanzienlijke kosten. In dat geval kan het passend zijn om te kiezen voor een andere uitvoeringsvorm.

    Denk hierbij aan uitvoering via een pensioenpremie‑instelling (PPI) of een verzekeraar, een algemeen pensioenfonds (APF) of aan een buy‑out of herverzekering van (opgebouwde) pensioenrechten. Ook een combinatie van deze uitvoeringsvormen is mogelijk. Binnen a.s.r. vermogensbeheer zijn deze uitvoeringsvormen vertegenwoordigd en is de kennis op deze gebieden gebundeld. De voor‑ en nadelen van deze verschillende opties kunnen wij voor pensioenfondsen inzichtelijk maken, zodat een afgewogen keuze kan worden gemaakt.

  • Onder de Wtp komen deelnemersadministratie en vermogensbeheer dichter bij elkaar te liggen en neemt de informatie‑uitwisseling tussen beide toe. Dit roept de vraag op hoe deze processen beheersbaar kunnen worden ingericht.

    Een belangrijk uitgangspunt is om de uitvoering van de regeling aan de ‘voorkant’ zo eenvoudig en gestructureerd mogelijk vorm te geven, zodat aan de ‘achterkant’ geen knelpunten ontstaan. Enkele voorbeelden van keuzes die hieraan kunnen bijdragen zijn:

    • de keuze voor de periodiciteit van de herijking van verplichtingenkasstromen;
    • de keuze voor de periodiciteit van rebalancing;
    • het beperken van het aantal lifecycles.
  • Een belangrijk argument voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel was dat pensioenfondsen zich meer zouden kunnen richten op het realiseren van een waardevaste uitkeringsambitie en minder beperkt zouden worden door het huidige nominale toezichtskader. Tegelijkertijd speelt de (nominale) rentetermijnstructuur onder de Wtp nog steeds een belangrijke rol.

    De meningen verschillen over de vraag in hoeverre deze doelstelling onder de Wtp wordt bereikt. Dit leidt tot de vraag hoe pensioenfondsen binnen het nieuwe stelsel invulling kunnen geven aan hun indexatieambitie. In een separate paper gaan wij hier nader op in.

  • Onder de Wtp verandert er veel, maar financieel gezien blijven twee doelstellingen centraal staan: het realiseren van rendement en het bieden van uitkeringszekerheid. Wanneer er sprake is van twee doelstellingen, vraagt dit om een duidelijke inrichting van de bijbehorende instrumenten.

    Een expliciete scheiding van de beleggingsportefeuille in een beschermings‑ en een rendementsportefeuille:

    • sluit aan bij lifecycle‑beleggen, waarbij voor jongere deelnemers het realiseren van rendement zwaarder weegt en voor oudere deelnemers uitkeringszekerheid;
    • maakt het mogelijk beide portefeuilles afzonderlijk aan te sturen en te optimaliseren;
    • vergroot de transparantie richting deelnemers, zowel in de communicatie vooraf als in de verantwoording achteraf;
    • ondersteunt de verantwoording over het mismatchresultaat richting de toezichthouder, doordat de beschermingsportefeuille kan worden afgestemd op het toegezegde beschermingsrendement.
  • Hierop bestaat geen algemeen toepasbaar antwoord. Elk pensioenfonds verschilt in samenstelling en kenmerken, waardoor de optimale lifecycle maatwerk is. Belangrijke inputfactoren bij het vormgeven van een lifecycle zijn onder andere:

    • de premiehoogte;
    • de doelstelling van het pensioenfonds;
    • de risicohouding van de verschillende leeftijdsgroepen;
    • de investment beliefs.

    Wij beschikken over de kennis, ervaring en middelen om dit per pensioenfonds verder uit te werken.

  • Om te bepalen of het wenselijk is om het huidige beleggingsbeleid aan te passen, is eerst inzicht nodig in de toekomstige inrichting van het pensioenfonds en/of de premieregeling. Daarbij speelt onder meer de keuze voor een solidaire of flexibele premieregeling (of volledige herverzekering) en de gekozen uitvoeringsvorm een belangrijke rol.

    Indien blijkt dat een bepaald minimumdekkingsgraadniveau nodig is om de transitie met voldoende draagvlak onder deelnemers te realiseren, zijn verschillende instrumenten beschikbaar om de kans op een lagere dekkingsgraad te beperken. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van zowel lineaire instrumenten, zoals renteswaps en aandelenfutures, als niet‑lineaire instrumenten, zoals swaptions en aandelenopties, om risico’s te beheersen.

    De invulling hiervan verschilt per pensioenfonds. a.s.r. vermogensbeheer heeft ervaring met het vormgeven en implementeren van dergelijke transitiestrategieën en kan pensioenfondsen ondersteunen bij zowel de advisering als de uitvoering van de transitie.